 |
Bij Feijenoord waren de
festiviteiten weer aardig uit de hand gelopen en temidden van veel Ach
en Wee en geroep om 'harde maatregelen' vroeg ik me af of een enkel
relletje niet een luttele prijs is om te betalen voor de goede vrede
met het gepeupel. Peper's voorstellen om potentiële slopers bij
voorbaat op te pakken valt met enig beroep op gemeenschapszin best te
verdedigen, maar de schoonheidsprijs voor democratische gezindheid
verdient 't niet. Toen bij de top van Kok in Amsterdam bij voorbaat
krakers en ander gespuis van de straat werden geplukt klonken de
protesten in mijn oren niet alleen maar schril en was het oordeel van
de hogere rechter dat 't hier een aantasting van enige fundamentele
rechten betrof niet alleen maar hypocriet.
De laatste keer dat ik bij Feijenoord was - dat wil zeggen met een
cameraploeg bij het trainingsveld stond om Arie Haan te volgen - was
de agressie onder de aanwezige, vele honderden toeschouwers, zo groot
vanwege 'die kankerjoden', dat ik niet anders kon dan concluderen dat
sport vooral verbroedert bij halve nazi's en psychopaten. Alle geroep
om 'de beuk erin' is vooral bedoeld om het gemoed op te luchten van
pennenvoerders die hoofdartikelen op Maandagmorgen afscheiden. Een
parlementaire democratie is weerloos in dit soort gevallen. Wie rellen
als bij Feijenoord voorkomen wil, is 't beste af met een verkozen
dictator die tijdelijk de burgerrechten opschort. Wat is erger; het
middel of de kwaal?
Wegens werkzaamheden was ik deze week in New York, waar geen
supportersrellen zijn, noch elders in Amerika. Maar in dat beloofde
land schieten de jongelui elkaar met een machinegeweer overhoop op het
schoolplein. De twee die laatstelijk de trekker overhaalden waren
afkomstig uit gewone gezinnen, dat wil zeggen, ze werden niet geslagen
en voor zover bekend niet anderszins geterroriseerd, en voldeden dus
in niets aan het cliché van de jongeling die wel wraak mòet
nemen op de boze grote mensenwereld. Geweld is onbegrijpelijk, hier of
daar. Mijn enige mogelijke verklaring luidt dat iedereen zich
simpelweg te pletter verveelt door de toegenomen welvaart, die het
perspectief op een welbesteed leven verduisteren zou. Maar ik lever
mijn overweging graag in voor een betere.
Onderweg in de lucht herlas ik "Smilla's gevoel voor sneeuw"
en weer werd ik gegrepen door de koele wanhoop van de heldin, die de
moord op een klein jongetje in sneeuwsporen leest. Smilla dreigt
verliefd te worden op 'de monteur' en hoezeer ze ook vecht tegen die
scherf in haar hart, ze bezwijkt, al is 't maar voor even. IJsgodin en
eskimodochter, een vrouw is niet van steen. Waarin het boek vooral
uitblinkt, is de beschrijving van Smilla's eenzaamheid wanneer ook de
monteur niet echt te vertrouwen blijkt te zijn, en in haar afkeer van
de geordende wereld.
Smilla hoort bij niemand, behalve in haar dromen bij dat vijfjarige
jongetje Esaias, dat thuis z'n aan alcohol verslaafde moeder probeert
te ontwijken en naast haar - Smilla - slaapt. Mijn zwak voor zulke
heldinnen is levenslang. Als ik Smilla in 't echt zou tegenkomen,
droeg ze -valt te vrezen - een snor, en staarden haar kolen van ogen
mij vijandig aan. Maar tussen de regels van dit boek is ze iemand om
beschermend armen om heen te slaan en een kaarsje voor te ontsteken.
Waarom is de wereld zo koud, liefste?
Ik weet 't niet.
't Liefst had ik ooit leren dansen zodat ik een excuus had om de
dames vooral obscene teksten in het oor te fluisteren, terwijl volgens
de regels omstrengeld, wij de horlepiep hopten. Ik kan mezelf niet
anders zien dan belachelijk, en dat is al belachelijk genoeg. Bij
Smilla had ik bedeesd m'n mond gehouden, want heel soms dient men een
ander serieus te nemen.
Gelukkig bestaat ze alleen op papier.

|