 |
Soms peins ik hoe 't is om dood te
gaan. Ik vermoed dat 't wel mee valt, met de paniek bedoel ik, al ben
ik typisch iemand die in het zicht van de Eeuwige haven heel laf nog
even katholiek wil worden en zich verzoenen met zijn bitterste
vijandin. Hoe vaak brengt de dood het mooiste in een mens boven?
In "Arendsoog" sterft booswicht Muller door na zijn
zoveelste misdaad met zijn paard tegen een manshoge cactus op te
rijden en doorboord te raken met prikkels die als messen zo scherp
zijn lichaam opensnijden. Stervende fluistert Muller onze held toe: "Stanhope...vragen...vergeving..."
En de schrijver voegt zijn verpletterde lezertjes toe hoe Arendsoog
'dankbaar' was dat een slecht mens - 'al is 't maar één
seconde' - beseft had dat 'ie slecht was. Ik citeer dit alles uit het
blote hoofdje, want dertig jaar geleden kon ik niet vermoeden dat m'n
boekenkast afgebroken en de delen Arendsoog weggegeven zouden worden.
Ik weet zeker dat ik me diep behoor te schamen voor het reactionaire
gedachtengoed dat Arendsoog uitdroeg namens de ranzigste ouwelvreters
en heb hem nooit herlezen.
Maar hij spookt meer door m'n hoofd dan Sartre.
Het enige wat ik hoop is dat ik niet in tranen uit zal barsten als de
fatale seconde nadert, althans dat deze stervende niet jankend om
erbarmen zal vragen aan z'n vrouw: "Ik ga dood, lieverd!..."
"Ga jij maar aan 't gas liggen..."
Sterven doe je volgens mij 't best in je eentje, vergeten door de
nachtzuster die er trouwens van baalt dat ze deze oudejaar niet thuis
heeft mogen doorbrengen. Zij zal zeggen dat je zo te zien 'heel
vredig' bent ingeslapen, 'dat 'ie geen pijn heeft gevoeld'.
De kinderen zijn opgelucht.
Jij zag de schaduwen op het witte gordijn rondom als vooraankondiging
van het Rijk Gods, maar 't was gewoon je demente buurman op zaal, die
probeerde jouw kunstgebit te jatten. Nu lieg ik; een kunstgebit
veronderstelt een oude dag, het klimmen der jaren, de herfst van een
leven. Misschien ga ik morgen wel dood. Wat dan, koekenbakker? Ik heb
geen stukjes geschreven waarin ik mezelf omschreef als 'je' die de
veewagon ingaat op weg naar een concentratiekamp. Ik zal dus wel niet
herdacht worden als 'een clown', 'een nar', 'een komiek'.
Mijn ambities waren bescheiden en ik heb 't altijd onzin gevonden dat
de NAVO Belgrado niet meteen plat gooide.
Het grote doel in m'n leven is dat ik nog champagne ontkurken mag ter
ere van het ontslapen van - liefst in helse pijnen - Mevrouw Barend.
Rancuneus ben ik nooit geweest. Maar mocht ik eerder gaan dan de
hogepriesteres van de Shoa-biznizz, pech gehad. Iets zegt me dat haar
hemel een gaskamer is, en zo hebben we allemaal onze particuliere
eigenaardigheden.
Er wordt gezegd dat de dood een hele troost is.
Dat vraag ik me af, want hoezo?
Maar zo eenzaam als te moeten leven kan 't niet zijn.
In mijn jonge jaren spoot ik weleens jenever in m'n arm met een
spuitje, om maar sneller dronken te kunnen worden. 't Lukte, m'n hart
bonsde en ik voelde voor mezelf het ijzigste misprijzen. En dat is wat
ik nu het meeste vrees; dat ik in de loop der jaren mezelf min of meer
serieus ben gaan nemen. Dat ik hang aan m'n bestaan, aan m'n
pathetische leventje. Dat ik - anders dan vroeger - bang ben om te
verliezen wat ik lief heb.
't Is een schande.

|