| Aan de deken van het arrondissement Amsterdam mr. H. Doeleman
Betreft: tuchtklacht tegen mr. E. Dommering
(regel 29 nieuw)
Rotterdam, 7 juni 2002.
Waarde deken,
Ik richt mij tot u om een tuchtklacht in te dienen tegen mr. E Dommering,
advocaat en partner van het kantoor Stibbe.
Op 15 mei dit jaar verscheen in NRC Handelsblad een artikel van de hand van
Dommering onder de kop Strafklacht knevelt pers en politici. Hierin
betoogt hij dat de strafklacht van confrères Spong en Hammerstein een
aanslag vormen op de vrijheid van meningsuiting. In het zogeheten subscriptum
onder het stuk staat: Prof. Dr. E. Dommering is hoogleraar Informatierecht aan
de Universiteit van Amsterdam.
Dommering is de vaste civiele advocaat van NRC Handelsblad. Vanuit die
hoedanigheid lijkt het dubieus dat hij zijn cliënt gebruikt voor het
genereren van eigen exposure (hetgeen hij bij regelmaat doet middels stukken op
de opiniepagina) terwijl hij zijn ware relatie tot de krant verzwijgt door bij
deze activiteit te opereren als professor. Deze handelwijze staat op gespannen
voet met gedragsregel 28 (19 oud) die het de advocaat verbiedt voor de betaling
van zijn declaratie andere zekerheid te aanvaarden dan geld.
Zijn stuk van 15 mei werpt echter heel andere vragen op, daar het een kwestie
betreft waarin NRC zelf partij is als betrokkene in de strafklacht wegens
demonisering van Pim Fortuyn. In dit stuk immers komt Dommering op voor zijn
eigen client die betrokken dreigt te raken in een procedure zonder zijn ware
identiteit als vaste advocaat van deze client prijs te geven. Sterker: door
zich te hullen in de mantel van de objectieve wetenschapper geeft hij zijn
woorden een zeggingskracht die ze vanuit zijn andere identiteit niet behoren of
zelfs niet kunnen hebben. Hiermee overtreedt hij gedragsregel 29 (nieuw) die
het de advocaat opdraagt in zijn contacten met derden misverstand te vermijden
over de hoedanigheid waarin hij in de gegeven situatie optreedt. Deze 'derden'
vormen bij de handelwijze van Dommering een delicate groep daar deze immers
bestaat uit alle lezers van NRC Handelsblad. Wat Dommering de facto doet is
zijn positie als professor misbruiken om voordeel te bereiken voor zijn
advocatuurlijke praktijk.
NRC Handelsblad gaf bij navraag aan dat het Dommering zelf heeft verzocht dit
artikel te schrijven. Dommering zelf heeft verklaard dat 'het verzoek van de
redactie en zijn eigen idee voor een stuk elkaar hebben gekruisd' en ook 'dat
het er niets toe doet dat hij af en toe een zaakje doet voor NRC' (gepubliceerd
op de website van Theo van Gogh, www.theovangogh.nl)
Met name met deze laatste opmerking heeft Dommering zich mijns inziens
vergaloppeerd door geen begrip aan de dag te leggen voor de scheiding der
petten die voor elke advocaat met een nevenfunctie, of dat nu professor of
rechter-plaatsvervanger is, met de grootst mogelijke zorgvuldigheid dient te
worden nagestreefd. Hierdoor heeft hij tevens in strijd gehandeld met regel 1
die de advocaat opdraagt zich zodanig te gedragen dat het vertrouwen in de
beroepsgroep niet wordt geschaad.
Vertrouwend op een spoedige en adequate afwikkeling,
Met de meeste hoogachting,
Micha Kat, Journalist

De heer mr H.F. Doeleman
Prof. Mr E.J. Dommering, advocaat 21 juni 2002
Betreft: Klacht Kat
Geachte confrère,
Hierbij reageer ik op uw brief van 11 juni 2002 inzake de klacht Kat,
Deze klacht is mij ook rechtstreeks door de heer Kat toegezonden.
Naar mijn mening is de heer Kat geen belanghebbende in de zin van het
tuchtrecht (Hof van Discipline 30 september 1994, Advocatenblad nummer 9418;
Hof van Discipline 16 november 1970Advocatenblad 1972, p. 154).
Ten aanzien van de inhoud van de klacht merk ik het volgende op.
De heer Kat stelt dat ik de vaste civiele advocaat ben van NRC Handelsblad. Dat
is onjuist. Ik behandel slechts de perszaken van NRC Handelsblad. Wanneer ik op
de Opiniepagina van NRC Handelsblad schrijf doe ik dat niet als advocaat van
NRC Handelsblad, maar als hoogleraar Informatierecht, directeur van het
Instituut voor Informatierecht, welke functie ik reeds sedert 1989 bekleed. Het
heeft zich in mijn herinnering één keer voorgedaan dat ik als
advocaat een stuk op de Opiniepagina heb geschreven, en in zo'n geval heb ik
dat er uiteraard bij vermeld. Over het algemeen schrijf ik op de Opiniepagina
over onderwerpen dieAdvocaten en notarissen mijn wetenschappelijke
belangstelling raken, en waarvan ik het nuttig of gewenst vind een opinie te
laten horen. Dat deed zich ook in de onderhavige zaak voor.
Toen ik de vrijdag voorafgaande aan de verkiezingsweek, terugkeerde van een
missie in Polen die eveneens betrekking had op de persvrijheid (het ging om de
invloed van de Poolse overheid in één van de belangrijke kranten
van Polen. De door mij uitgebrachte opinie kunt u vinden op www.ivir.nl, onder
actuele publicaties), -nam ik kennis van de televisieuitzending waarin de heren
Spong en Hammerstein hun strafklacht bij de Officier van Justitie aankondigden.
Dat leek mij een voor de persvrijheid zeer bedreigende actie, terwijl ook het
tijdstip waarop zij dit aankondigden mij zeer ongepast toescheen. Ik nam mij
voor om nog in dat weekend een stuk daarover te schrijven, maar daar is het
niet meer van gekomen. De maandag daarop werd ik gebeld door de redactie van de
Opiniepagina, die een hoogleraar zochten die over dit onderwerp iets zou willen
zeggen. Ik heb toen alsnog dat stuk geschreven. Ik was en ben niet betrokken
bij de strafklacht die de beide heren tegen NRC Handelsblad hebben ingediend.
Indien NRC Handelsblad (althans de hoofdredactie) niet in die klacht zou zijn
genoemd, zou mijn bijdrage letterlijk dezelfde zijn geweest. Ik heb dit artikel
geschreven vanuit mijn achtergrond als annotator van de jurisprudentie van het
Europese Hof voor de Rechten van de Mens met betrekking tot artikel 10 EVRM en
mijn eerdere betrokkenheid bij dit onderwerp. Zoals u zich wellicht kunt
herinneren heb ik reeds in 1994 naar aanleiding van de uitlatingen die de
schrijver Boomsma had gedaan over deelnemers aan de politionele acties (een
vergelijking met de nazi's) een uitvoerig artikel over het gebruik van
waardeoordelen in verband met de Nederlandse geschiedenis geschreven in het
Nederlandse Juristenblad. Aangezien dit artikel weer een nieuwe actualiteit
heeft gekregen, en het Instituut voor Informatierecht het ook overigens gewenst
vond om een dossier over dit onderwerp te vormen (hetgeen wij van tijd tot tijd
bij actuele onderwerpen doen), is er een dossier "de vrijheid van
meningsuiting na Pim Fortuyn" op de website ivir.nl geopend, waarin ook
dit artikel uit 1994 is opgenomen.
Ten aanzien van de gedragsregels die de heer Kat meer in het bijzonder in zijn
brief naar voren brengt, nog het volgende. Zijn beroep op gedragsregel 28 (19
oud) is mij onduidelijk.
Het schrijven van artikelen op de Opiniepagina staat in generlei verband tot
mijn verrichtingen als advocaat en wordt ook niet in een declaratie
verrekend.
Zijn beroep op artikel 29 kan ik evenmin volgen. Naar mijn mening ziet deze
gedragsregel op veel concretere situaties dan de deelname van een advocaat aan
het openbaar debat. Zou dat anders zijn dan lijkt een regel van een zo wijde
strekking mij niet in overeenstemming met de vrijheid van meningsuiting, omdat
het voor een advocaat een permanente tuchtrechtlelijke bedreiging zou inhouden.
Als ik de argumentatie in de klacht van de heer Kat goed begrijp dan vindt hij
eigenlijk dat een advocaat die ook hoogleraar is, er maar helemaal het zwijgen
toe moet doen. De heer Kat dicht mij motieven toe die erop neerkomen dat ik de
Opiniepagina zou gebruiken om de aandacht op mijzelf als advocaat te vestigen.
Als dat inderdaad mijn motief zou zijn, dan zou ik toch voortdurende moeten
zeggen dat ik advocaat ben. Maar dat is mijn motief helemaal niet. Over de
hoedanigheid waarin ik schrijf en over de inhoudelijke kant van de argumenten
kan geen enkel misverstand bestaan, en is mij ook niet bij enige lezer gebleken
Ik veroorloof mij tenslotte nog enige algemene opmerkingen.
Ik zie de klacht van de heer Kat als een symptoom van de verzieking van de
atmosfeerwaartoe de ingediende strafklacht van de heren Spong en Hammerstein in
belangrijke mate heeft bijgedragen. Die verzieking van de atmosfeer kan
gekenmerkt worden door het spelen op de man, het onmiddellijk diskwalificeren
van de personen die meningen uiten (ook de heren Spong en Hammerstein hebben
zich ten aanzien van mijn persoon in grof beledigende zin uitgelaten) met de
klaarblijkelijke bedoeling mensen die zich in de openbaarheid over dit
onderwerp uiten te intimideren en af te schrikken. Ik laat in het midden of het
inzetten van het tuchtrecht jegens de heren Hammerstein en Spong de juiste
maatregel is, maar ik vind wel dat één van de indieners van de
klacht in het Advocatenblad van 14 juni 2002, pagina 514, de bezwaren tegen dit
optreden zuiver heeft verwoord. Ik had liever gezien dat zij zich daartoe
beperkt hadden, omdat de inhoudelijke bestrijding van het optreden van beide
heren in het openbaar (zoais de bijdrage van Quant op de Opiniepagina van NRC
Handelsblad en de bijdrage van Buruma in het NJB) een effectievere bestrijding
van hun optreden vormt, dan straf- en tuchtklachten. Zij zijn daardoor
gedwongen om zich inhoudelijk in het openbaar te verdedigen. Iedereen die hun
reactie in de rubriek Meningen van de Volkskrant van deze week heeft gelezen,
heeft kunnen constateren hoe weinig grond zij onder de voeten hebben Ik zie de
klacht van de heer Kat in dit perspectief, temeer daar hij het nodig heeft
gevonden een afschrift van de klacht bij derden te deponeren (wellicht kunt u
bij hem informeren aan wie hij de klacht allemaal heeft toegestuurd). Daaruit
blijkt immers dat het hem er om te doen is mijn persoon te diskwalificeren en
niet zozeer om een uitspraak van een tuchtinstantie te krijgen.
De geschiedenis van de vrijheid van meningsuiting leert dat het inzetten van
strafrechtelijke of daarmee vergelijkbare middelen een methode is om de media
af te schrikken. Dat effect hebben wij ook in de publieke discussie na het
indienen van de klacht kunnen bespeuren, waarbij het duidelijk werd dat de
media zich minder vrij voelden om over dit onderwerp te discussiëren.
Daardoor is de belangrijke functie van de vrijheid van meningsuiting om deze
schok in de rechtsorde te verwerken in een publiek debat, verstoord en is er
een wolk van pesterij en bereiging boven dit debat blijven hangen.
Het is mijn voornemen om over dit onderwerp nog diepgaander te publiceren in
een wetenschappelijk artikel, omdat ik van oordeel ben dat wat is gebeurd in
Nederland in relatie tot de vrijheid van meningsuiting (een recht waarin
Nederland een traditie heeft te verdedigen) een dergelijke analyse
verdient.
Met vriendelijke groet,
E.J. Dommering

Betreft: klacht 02-242
Kat/Dommering
03-07-2002
Waarde deken,
Het komt mij voor dat een advocaat die wordt geconfronteerd met een tuchtklacht
de plicht heeft deze serieus te nemen. Na lezing van de brief van mr. Dommering
van 21 juni heb ik echter de indruk dat hij op dit punt in gebreke blijft.
Irrelevante mededelingen over reisjes naar Polen met verwijzingen naar aldaar
'uitgebrachte opinies', gratuite en volstrekt onverifieerbare beweringen ('ik
nam mij voor nog in dat weekeind een stuk te schrijven') en als klap op de
vuurpijl een directe, persoonlijke en onnodig grievende aanval op mijn
integriteit ('mijn klacht als een symptoom van verzieking van de atmosfeer')
vergroten slechts mijn twijfels of de waardigheid van het nobile officium
bij mr. Dommering wel in goede handen is. En dan heb ik het nog niet eens
over de aantoonbare desinformatie waarmee hij zijn verweer begint als hij
betoogt: de stelling dat ik de vaste civiele advocaat van NRC Handelsblad ben
is onjuist. Ik verwijs naar een mededeling van de hoofdredactie in de krant op
17 mei in de rubriek correcties en aanvullingen luidende: Prof. E.
Dommering werd onder zijn artikel Strafklacht Knevelt Pers en Politici (15 mei,
pagina 7) aangeduid als hoogleraar Informatierecht. Hij is ook advocaat van NRC
Handelsblad. Als Dommering stelt 'slechts de perszaken van NRC' te
behandelen moet hij ook stellen de 'advocaat van NRC 'te zijn, daar immers geen
ander relevant type zaak voor NRC denkbaar is dan een perszaak; in andere
civiele geschillen is immers niet NRC partij, maar de uitgever van NRC, PCM.
Voor ik inhoudelijk op de brief inga nog dit. Ik schrijf reeds twaalf jaar met
grote regelmaat en liefde over de advocatuur. Vanuit de positie die ik in die
periode heb opgebouwd acht ik mij gerechtigd en ontvankelijk op te komen voor
de integriteit van het beroep. De problematiek van de belangenverstrengeling
van de advocaat (als rechter-plaatsvervanger, als professor, als commissaris
bij een bedrijf) verdient serieuze aandacht en misstanden dienen onderworpen te
kunnen worden aan tuchtrechterlijke toetsing.
Om te beginnen mijn klacht op grond van regel 28. Dommering schrijft regelmatig
stukken op de Opiniepagina van NRC Handelsblad. Naar mijn weten heeft hij zich
daarbij nimmer kenbaar gemaakt als advocaat, laat staan als advocaat van NRC.
Nu is het publiceren van artikelen het wezenskenmerk van een krant, het
exclusieve product. Blijkens de frequentie waarmee die opiniepagina van NRC
voor hem openstaat kan Dommering vrijelijk over dit product beschikken. Deze
figuur is daarmee niet wezenlijk anders dan die waarin de advocaat voor Philips
zijn huis volpropt met apparaten of die waarin een advocaat voor de KLM gratis
de wereld over mag vliegen. Juist omdat het feit dat Dommering regelmatig mag
schrijven in de krant (hetgeen zonder twijfel een geldelijke waarde
vertegenwoordigt) een direct gevolg is van het feit dat hij tevens optreedt als
advocaat voor de krant is hier sprake van een onzuivere verhouding. Dommering's
verweer dat 'het schrijven van artikelen op de Opiniepagina in generlei verband
staat met mijn verrichtingen als advocaat noch ook in een declaratie wordt
vermeld' is als verweer dan ook niet serieus te nemen en wordt alleen al
ontkracht door het feit dat er geen andere advocaat/professor in het land is
die dezelfde publicitaire voorrechten geniet als Dommering. En wat de opmerking
over declaraties betreft: de genoemde Philips-advocaat zal zijn videorecorders,
stereotorens en de staafmixer voor zijn vrouw ook niet vermelden op
declaraties. Een kenmerk van dergelijke soft money payments is nu juist
dat ze nergens worden vastgelegd. Ik verzoek de deken deze gedraging ter
toetsing voor te leggen aan de Raad van Discipline.
Dan mijn klacht op grond van regel 29. Het verweer van Dommering op dit punt is
nauwelijks te volgen. Wel constateer ik dat hij gebruik maakt van een even
klassieke als doorzichtige drogreden: leg de opponens onzinnige verwijten in de
mond die hij helemaal niet maakt en ga deze vervolgens ontkrachten. Dommering
doet dit door te stellen dat 'Kat eigenlijk vindt dat een advocaat die ook
hoogleraar is er maar helemaal het zwijgen toe moet doen'. Natuurlijk stel ik
dat niet. Mijn bezwaren gelden slechts die gevallen waarin deze advocaat een
onzuivere relatie met zijn client aangaat (zie hierboven; vergelijk de advocaat
van de NPS die een eigen Tv-programma krijgt) of in feite optreedt voor een
cliënt in een procedure zonder zichzelf als de advocaat van die
cliënt kenbaar te maken. Bijzonder laakbaar acht ik het zelfs als een
advocaat optreedt voor een cliënt waarbij hij zich hult in de status van
onafhankelijk wetenschapper en vanuit die positie het publiek probeert te
overtuigen van de juistheid van zijn zaak. Het zijn juist dit soort
verstrengelingen waarin de advocaat dus min of meer zijn eigen
getuige-deskundige wordt die het vertrouwen in de beroepsgroep ondermijnen. Het
zou voorwaar een mooie bedoeling worden als alle advocaten die ook professor
zijn in kranten en in collegezalen 'in naam van de wetenschap' de zaken van hun
cliënten gingen bepleiten. Partijdigheid is zeker des advocaats, maar
zeker niet des professors. Het optreden van Dommering in de onderhavige
zaak is des te erger nu blijkt hoezeer zijn cliënt NRC Handelsblad in de
vuurlinie ligt van de heren Spong en Hammerstein (ik verwijs ondermeer naar de
uitgebreide discussie over de journalistieke integriteit van de krant waarin
zelfs de hoofdredacteur actief participeert; iets wat zeer zelden voorkomt) en
hoezeer ook de samenleving als geheel wordt geraakt door deze kwestie. Juist in
een dergelijke 'maatschappelijke' zaak dient er geen enkel misverstand te
bestaan over de hoedanigheid waarin een advocaat in een gegeven situatie
optreedt.
Het belang van mijn klacht is er dan ook in gelegen deze scheiding van
hoedanigheden voor de toekomst helder en inzichtelijk te maken. Ik verzoek de
deken dan ook mijn klacht op grond van regel 29 ter toetsing voor te leggen aan
de Raad van Discipline.
Tenslotte is het zoals Dommering stelt zeker zo dat er een bepaald onaangenaam
klimaat is ontstaan rond kwesties van vrijheid van meningsuiting sinds de moord
op Fortuyn. De verantwoordelijkheid hiervoor berust net zo goed bij de
'gevestigde orde' in medialand die immers begon met het gebruik van
nationaal-socialistische metaforen als bij de heren Spong en Hammerstein. Een
van de manifestatievormen van dit 'verziekte klimaat' is de onheuse en
misleidende wijze waarop Dommering zich via en namens zijn client tot het
Nederlandse volk wendt. Dit had zo nooit mogen gebeuren.
Met de meeste hoogachting,
Micha Kat
|