Het grootste
gevaar dat H.J.A. Hofland in zijn leven heeft moeten ondervinden, is in een
deftig restaurant de rekening niet aan een ander te kunnen laten. Twee van zijn
vrienden vlogen ter ere van de verjaardag van de grote Amerika-deskundige eens
naar New York. Dan bied ik jullie een heerlijke maaltijd aan!", had
Henk gezegd. Maar op het afgesproken tijdstip kwam het feestvarken niet
opdagen.
Wat leert ons deze anekdote?
Dat hij ook maar een mens is, de man die diepe inzichten met ons deelt als `In
het westen is het een en al overvloed. Dat leidt tot stilstand van de moderne
funmens. De paraatheid is zoek' (CS 6-10-2000). Een vrek om precies te zijn
maar dat doet niets of aan een prachtig boek als Tegels lichten (1972).
Ik schrijf een beste zin", verklaarde Hofland tijdens een babbeltje
met ondergetekende op televisie, en hij had gelijk.
Ook al daarom had ik de oude bietser meer gegund dan gemopper als: `Schrijven
was kiezen: het engagement. On se jette. Wie gekozen had, deed met het
geschreven woord mee aan de oorlog. Ook in het westen kon dat zelfs gevaarlijk
worden' (CS 22-92000).
Als iemand nooit gekozen heeft, is het Hofland; niet tegen Piet Grijs toen die
Buikhuizen de wetenschap onmogelijk maakte, niet voor Willem Oltmans toen die
verneukt werd door Luns, hooguit tegen Russische dissidenten, die in zijn
stukjes tijdens de jaren zeventig nog wel eens als `door de CIA betaalde
provocateurs' figureerden. Maar dat was dan ook ten tijde van de Detente, toen
een liberaal Heer er liever niet van verdacht werd zich aan Koude
Oorlogsretoriek te bezondigen. Niemand die zo met alle winden meewaait als
H.J.A. Hofland, en misschien heeft dat inzicht er in de herfst van zijn leven
toe geleid dat de meeloper nog één keer wilde uithalen en een
heuse Kwestie ontketenen.
`Kunst versus Commercie', het is of je de jaren zeventig voor het laatst hoort
echoën vanuit, jawel, `afgronden van talentloze narigheid', om de
aanstichter van het debat maar weer to citeren. Het heeft iets potsierlijks,
vooral ook omdat H.J.A.'s bewering dat `De vrije markt in haar anonimiteit de
grootste vijand is van de literatuur, de kunsten en het onafhankelijke denken'
aantoonbare lariekoek oplevert. Ian Buruma (CS 1-12-2000) heeft zich van de
dankbare taak gekweten Hoflands bewering te ontzenuwen.
Eén citaat: `Misschien is het beter als de staat zich meer over de kunst
ontfermt zoals in Nederland lange tijd gangbaar was. Het is mogelijk dat het
niveau van de Nederlandse kunst, opgeslagen in de kelders van
regeringsgebouwen, veel hoger ligt dan wat erin New York te koop is, maar ik
betwijfel het.'
Wie wel eens in die kelders heeft rondgekeken, weet hoe gruwelijk gelijk Buruma
heeft met zijn scepsis. Ook waag ik me liever niet aan een vergelijking van de
tot voor kort voor namelijk gesubsidieerde Nederlandse Cinema met de
onafhankelijke èn de Hollywood-filmproduktie uit Amerika, opererend in
en tot stand gekomen op diezelfde vermaledijde vrije markt. Zelfs uit
België, waar van oudsher minder gesubsidieerd wordt en meer overgelaten
aan de zegeningen van bet Kapitaal, komen door de bank genomen fellere, meer
persoonlijke, betere films dan uit bet lieve vaderland. Er wordt wel gezegd dat
dit verschil to verklaren valt uit de veronderstelling dat film een katholiek
medium is, geen calvinistisch. Ik geloof er niets van. Ik geloof dat juist de
Belgische vrije markt meer uitdaagt en noopt tot grotere inzet dan gemiddeld
kan worden waargenomen bij de Nederlandse filmmaker, die zijn tijd in de W W
voornamelijk vult met klagen en met bet pijpen van daartoe benoemde
boven-ons-gestelden in subsidiecommissies, de zogeheten `deskundigen'.
Over Amerika zou je kunnen zeggen dat er zoveel meer talent, geld en moeite in
films kan worden geïnvesteerd dat een vergelijking mank gaat. Maar dan
antwoord ik dat bet daar ook veel moeilijker is om een film van de grond te
krijgen, en dat falen aan de kassa ernstiger gevolgen heeft. Er staat meer op
bet spel, en dat zie je terug op bet witte doek. De vrije markt vergroot de
innerlijke noodzaak voo'r wie zo nodig moet; acteurs bedienen op terrasjes,
regisseurs laten honden uit, producenten gaan failliet en beginnen opnieuw. Wat
een verschil in élan, wat een verschil in competitie.
En dat allemaal dankzij de vrije markt.
Natuurlijk komt er meer troep uit- Amerika, er wordt meer gemaakt en bet aantal
consumenten is wat groter, nietwaar? Maar ik belief een cultuur op z'n
hoogtepunten to beoordelen, niet op z'n middelmaat. En ik wil Hofland aanraden,
te gaan kijken naar een Amerikaanse debuut als The Virgin Suicides van
Sofia Coppola - om te huilen zo mooi. Of naar een Belgisch meesterwerk als
C'est arrivé près de chez vous een buitengemeen zwarte
komedie. Privé gefinancierd en lichtjaren verder en beter dan de beste
Nederlandse subsidiefilms, helaas.
En dan zwijg ik maar helemaal liever over bet Nederlandse Publieke
Televisiebestel. De belastingbetaler stopt er een miljard per jaar in en krijgt
daarvoor een Journaal terug dat het in alles aflegt tegen bet concurrerende
nieuws van de vrije markt, opgehoest door adverteerders bij RTL. Zeker, er komt
een hoop troep van de Amerikaanse televisie, maar bet beste van bet beste daar,
de serie The Sopranos bijvoorbeeld, is zo onvergelijkbaar veel beter dan
wat bier aan gesubsidieerd televisie-drama wordt uitgezonden, dat je je
afvraagt waaraan je als onschuldige burger die Hilversumse samenzwering van
middelmatigheid hebt verdiend. Grote denkers als Hofland krijgen op bet
Amerikaanse scherm meer waar voor bun geld. The Sopranos overigens, een
briljante serie over een maffiafamilie in New Jersey, moest in Nederland om
half één `s nachts op het commerciële Net 5 worden bekeken,
want de publieken hadden geen interesse. Te druk met hoogculturele programma's
als Lingo en Zeeman met boeken, vermoedelijk.
Ook Rudy Kousbroek wilde nog één keer vlammen. Hij vergeleek
Amerika met `De Grote Satan', ondervond weinig bijval en probeert de lezer nu
wijs te maken dat die omschrijving `ironisch' bedoeld was. Een beetje zielig,
professor, maar ik vraag me of of hij daarom `Streicher' naar het hoofd
geslingerd moet krijgen (Arnon Grunberg, CS 24-112000). En als Leon de Winter
vervolgens komt met: `Als u niet meer te zeggen heeft, zwijg. In plaats van
melige Volksverhetzung te bedrijven' (CS 15-12-200), prangt eens te meer het
besef dat in de vaderlandse polemiek de lat niet te hoog wordt gelegd.
Het zou flauw zijn om Kousbroek zijn `Grote Satan' lang na to dragen, al vraag
je je of waarom iemand zich om zijn gelijk te halen, beroept op een
gediplomeerde onbenul als Bas Heijne.
Een gouden regel van stukjes schrijven (of dien ik Kousbroeks bijdrage als een
`essay' aan te merken?) is, dat wie stijlvoller en geestiger aanvalt, wint.
Maar in dit geval moet ik Grunberg gelijk geven, hoe kreupel gesteld zijn
bijdrage ook is: `Duizendmaal liever zie ik dat de rijkdom als een halfgod
wordt aanbeden, dan dat het opperwezen als een echte God wordt aanbeden. In
Afghanistan zijn geen televisies, er is geen McDonald's, en de talentloze
lelijkheid van de moderne kunst zul je er tevergeefs zoeken. Exil zoeken in
Afghanistan zou een oplossing voor de heren kunnen zijn'.
En wat vindt De Winter? `De hoofdstad van de Grote Satan is Los Angeles. Op een
van de toppen van de Hollywood Hills staat het bekende `sign', symbool van de
begrippen `entertainment', `pleasure', `having fun' die Kousbroek abject noemt.
Op een andere top staat een van de indrukwekkendste cultuurtempels die de
mensheid ooit heeft mogen aanschouwen, het Getty Museum.'
De Winter heeft gelijk. Mijn eksteroog zweert dat de Amerikaanse cultuur veruit
superieur is aan de Afghaanse,juist dankzij de werking van de vrije markt, die
de elite gelegenheid geeft zich elitair te voelen en Joe Sixpack laat genieten
van een wenende zigeunerin en een hamburger. Die vrijheid van keuze klinkt door
in de Amerikaanse politiek, de Amerikaanse wetgeving en in de macht van de
Amerikaanse pers, die ons allen tot voorbeeld strekt.
Ik geef toe, het stelen van een
presidentsverkiezing door een conservatieve meerderheid in het Hooggerechtshof,
is niet de sterkste onderbouwing van die stelling. Zet daartegenover Nixon, die
door toedoen van een vrije pers tot aftreden werd gedwongen, of de oorlog in
Vietnam, die Amerika op zijn eigen televisiescherm verloor.
Amerika erkent in zijn grondwet officieel het recht op geluk voor iedere
burger. Een revolutionair concept als je het mij vraagt, dat niets met
commercie en alles met idealisme to maken heeft. Als Buruma Kousbroeks afkeer
van de Grote Satan verklaart uit `het oud zeer op het wasteland van Europa' en
`het diepe wantrouwen ten opzichte van democratie', zit hij vermoedelijk alweer
recht in de roos. Of is Kousbroek gewoon een domoor, die werkelijk niet beter
weet dan: 'Amerika is het land van de luide praters in de bioscoop, het land
van de imbeciele gelovigheid, het land van de doodstraf, het land van de
antiabortus-ijveraars, van de preutse griezels', enzovoorts, enzovoorts?
Zelfs de paus hurkt niet zo diep.
Zou Kousbroek uitsluitend bigotte, imbeciele, kwaadaardige Amerikanen zijn
tegengekomen? Ik kan het me niet voorstellen. Misschien zijn de wonden van zijn
gestrande huwelijk met de Amerikaanse Ethel Portnoy nooit geheeld, en moeten we
al die overdrijving zien als een schreeuw om liefde. In dat geval voel ik een
brok in de keel en prikken mijn vochtige ogen, maar aardig is het niet jegens
de gewezen Mevrouw Kousbroek.
Amerika is net een grote-mensenland, dus je komt er een hoop klootzakken tegen,
jawel; maar in mijn ervaring overtreffen de aardige, beschaafde, intelligente
Amerikanen veruit de hufters die Kousbroek overal ziet. Ben ik daarom
naïef en is mijn geachte opponent meer een man van de wereld, die realisme
paart aan haarscherpe analyse?
Die onbevangenheid heb ik er graag voor over.
Als in Nederland de minister van Justitie ten overstaan van een parlementaire
onderzoekscommissie verdacht in de buurt van meineed komt, schiet de voorzitter
toe en verklaart: De minister kan het zich niet herinneren.
Punt."
De kranten doen verslag, iedereen denkt `ze liegt', de voorzitter parkeert op
vleug'len van verbeelding zijn auto tegen de vangrail en in Den Haag gaat de
politiek opgelucht over tot de orde van de dag. Vooral de zelfgenoegzaamheid
van Sorgdrager is adembenemend. Ik kan me niet voorstellen dat in Amerika dat
volgens Kousbroek uitsluitend geregeerd wordt door de commercie een
Senaatscommissie zó met zich zou laten sollen. Ik heb zelfs de indruk
dat het publieke debat er meer voorstelt dan hier.
Grappig is dat het land van de grote Satan het
enige ter wereld is waar de antitrust-wetgeving iets voorstelt; waar de kleine
belegger door een reeks van maatregelen beschermd wordt tegen de Nina Brinks
van deze wereld; waar Ralph Nader in zijn gouden jaren namens de consument
oneindig veel meer macht uitoefende dan welke Consumentenbond in Nederland
ook.
Zou Kousbroek dat niet weten?
Ik wil natuurlijk niet oneerbiedig lijken jegens een grootinquisiteur die ons
met heilige overtuiging de ogen wil openen voor het Kwaad in de wereld, dat wil
zeggen uw en mijn recht om geen boodschap te hebben aan de Goede Smaak van een
zekere Kousbroek. Maar na meneers onmachtige gespartel twee keer tot me to
hebben genomen, dacht ik toch even: `Zalig zijn de onnozelen van geest'.
Men krijgt spit in zijn rug van het buigen voor pygmeeën.
Voor mij is Amerika het land van Clinton. Het land dat Europa behoedde voor het
Duizendjarige Rijk, het land dat miljoenen mensen bevrijdde uit de perfide
achterlijkheid van het communisme, niet door wapens maar door hamburgers en God
weet hoe ze daarnaar gesnakt hebben, achter de Muur rond Oost-Europa. Amerika,
het lichtend baken in een steeds duisterder wordende wereld, het enige land dat
ons, vrije mensen, zal beschermen tegen de gelovigen van de fundamentalistische
islam. Amerika enige utopie in de oorlog der ideeën die het waard is om
geleefd te worden.
Ik had een droom; dat de heren Hofland en Kousbroek in hun volgende leven, net
als ik die eerste keer, in New York aangekomen al hun geld verspelen met poker.
Dat zij noodgedwongen - net als mij overkwam - jojo's met een batterijtje
moeten gaan verkopen, nog wel op de hoek van Madison Square Garden, waar de
kids avond aan avond buiten kwamen na een concert van de BeeGee's.
En daar sta je dan, met je oplichtende jojo, ingekocht voor een halve dollar,
te koop voor een hele. Zal jij genoeg verkopen voor een bed vannacht in de
YMCA?
Commercie is de reddende engel van de wereld.
Theo van Gogh
Verschenen in NRC CS: 22-12-2000
terug
|